Goddelijke Woede

De bliksem is een natuurverschijnsel van elektrische ontlading die zich binnen in een wolk, tussen wolken of tussen de wolk en de grond voordoet. ⚡️
Wanneer een koufront een warmtefront tegenkomt, schuift het eerste onder het tweede, waardoor er opwaartse en neerwaartse winden ontstaan in de cumulonimbus, die meerdere kilometers dik kan zijn. Er ontstaan tegengestelde elektrische ladingen, het onderste deel van de wolk laadt negatief op terwijl het bovenste deel positief oplaadt.
Onder invloed van de wolken krijgt de grond op zijn beurt positieve ladingen.
Wanneer de opeenhoping van al die ladingen te sterk wordt, schiet de bliksem uit de onderkant van de negatief geladen wolk en treft hij een positief geladen voorwerp, geregeld een andere wolk, want blikseminslagen gaan meestal van de ene wolk naar de andere. De bliksem raakt de grond immers maar ongeveer één keer op vier.
De temperatuur van een bliksemschicht kan 30 000 graden Celsius bereiken. Wanneer de bliksem door de lucht snijdt, zet zijn hitte die lucht uit en veroorzaakt ze een plotselinge expansie, waardoor een geluidsgolf ontstaat die we de donder noemen. Omdat licht sneller reist dan geluid, zien we de bliksem voor we de donder horen.
Tijdens de oudheid was de bliksem het voorwerp van talrijke bijgelovige opvattingen. Omdat men dit verschijnsel niet rationeel kon verklaren, brachten de bevolkingen het meestal in verband met een godheid. Op elk continent vind je talrijke voorbeelden van die geloofsopvattingen.
De Romeinen en de Grieken, bijvoorbeeld, beoefenden de cultus van Jupiter of ook van Zeus, de god die over de hemel heerst en meester is van de donder. Het verschijnen van bliksemschichten aan de hemel was voor die volkeren dus meestal een teken van de woede van de God. Dat gezegd zijnde, die geloofsopvattingen beletten bepaalde Romeinse en Griekse filosofen en natuurkundigen niet om zich op een wetenschappelijke manier voor de kwestie te interesseren, en zo de fundamenten van de moderne wetenschap te leggen.
In de middeleeuwen, in Europa waar het christendom overheerst, worden de bliksemschichten die je tijdens een onweer ziet beschouwd als de uitdrukking van de goddelijke woede als antwoord op de zonden van de gelovigen. Er bestaan verschillende gebruiken om zich ertegen te beschermen: een ervan, beoefend door de boeren, bestond erin om bij onweer een fulguriet in de zak te steken en te zeggen: “Steen, steen, behoed me voor de donder”. Een fulguriet is glas dat gevormd wordt wanneer de bliksem in zand inslaat. Dat glas is heel onzuiver en daardoor niet doorzichtig.
René Descartes (1596-1650) is de eerste christelijke filosoof die een verklaring voor dit verschijnsel probeert te geven. Voor zijn theorie neemt hij de woorden van Seneca (filosoof uit de oudheid) over. “De donder komt tot uiting wanneer de zwaardere en hoger gelegen wolken op andere, lager gelegen wolken vallen. De lucht tussen twee wolken, samengeperst door die plotselinge val, geeft een grote hoeveelheid warmte vrij, waaruit het licht van de bliksem en het geluid van de donder voortkomen.” Maar hij was niet in staat te verklaren waarom de wolken zich boven op elkaar opstapelen.
Een Hollandse natuurkundige, Hermann Boerhaave (1668-1738), formuleerde ook een theorie waarin hij aantoont dat de waterdeeltjes die de zon de lucht in heeft getild wolken vormen en ijsmassa’s samenstellen. Die smelten onder invloed van de zon in enkele seconden, en die hevige wrijving van de deeltjes onderling veroorzaakt een oorverdovend geluid (donder) en bliksemschichten (ontbranding van de bestanddelen van de lucht). Die theorieën werden door de geleerden van die tijd uitvoerig besproken, ze markeren het begin van de experimenten van de eeuw daarna. De 18de eeuw markeert immers het begin van de moderne wetenschap, vergezeld van een reeks even bliksemsnelle als essentiële ontdekkingen. De ontdekking van de elektriciteit roept nieuwe vragen op en maakt het mogelijk om nieuwe verklaringen te geven voor bepaalde verschijnselen.
Verschillende experimenten maakten het in die tijd mogelijk om de elektrische aard van het onweer en de bliksem aan te tonen. De grootste vooruitgang was het werk van Benjamin Franklin (1706-1790), onder meer dankzij het beroemde vliegerexperiment.
Franklin voerde het experiment uiteindelijk uit op 15 juni 1752. Hij liet een vlieger op bij onweer. De hennep van het touw was licht vochtig, waardoor het voldoende geleidend werd om een sleutel op te laden die onderaan het touw bevestigd was. Door zijn vinger bij de sleutel te brengen slaagde Franklin erin een elektrische boog tussen zijn vinger en de sleutel te doen ontstaan, en zo de elektrische aard van de bliksem te bewijzen. Vandaag begrijpen we de roekeloosheid van Franklin, die gelukkig voor hem niet op het idee kwam om een geleidende draad te gebruiken! Men beweerde overigens dat het experiment lichtjes Geromantiseerd was…