DOSSIER 08

Lichtgevende Kwallen

Gepubliceerd op 3 min lezenBijgewerkt op
Orange and violet sea nettles drifting in blue water

Die gelatineuze hopen die aanspoelen op het zand van de stranden worden vaak beschouwd als gevaarlijke dieren, met brandende giftige netelbeten. Maar kwallen zijn ook mooie en verbluffende zeewezens, met een ongelooflijke verscheidenheid aan vormen en kleuren.

De kleinste kwallen meten maar enkele millimeters. De grootste bereiken twee meter in doorsnede en wegen tot 200 kg.

Eeuwenlang zijn de kwallen grotendeels miskend geweest door de zoölogen, die vanwege de eenvoud van hun structuur, die dicht bij bepaalde planten aanleunt, om ze te beschrijven graag een woordenschat gebruiken die aan de plantenwereld is ontleend, en die ze onderbrengen in de stam van de zoöfyten (letterlijk plant-dier). Zo plaatst Linné, als goed botanicus, in zijn eerste editie (1735) van de Systema Naturae de kwallen in de orde van de Zoophyta, waarbij hij de tentakels aanduidt als de meeldraden van de kwallen (Stamina Medusarum) en hun mondarmen als de stampers (Pistilla)

Met hun sierlijke en lichte lichaam verbergen de kwallen hun spel goed, want het zijn in feite geduchte roofdieren die in een groot deel van de zeeën van de aardbol voorkomen. Zonder hersenen, zonder hart, zonder skelet en zonder tanden hebben de kwallen originele wapens ontwikkeld om op hun prooien te jagen, en een unieke voortplantingswijze.

De studie van hun biologie, van de anatomie tot de werking van de cellen, toont aan dat deze dieren als “primitief” worden beschouwd. Hun ogen, een concentratie van organen, zintuigen en sensorische neuronen die aan een aanzet tot cefalisatie doen denken, en hun spieren (spiercellen). De onderzoekers herkennen er ook geëvolueerde kenmerken in, zoals de segmentatie van het lichaam, de aanmaak van hormonen voor de innesteling en zelfs collageen van het menselijke type.

De kwallen, die zich vandaag door de menselijke activiteit sterk vermenigvuldigen in onze oceanen, hebben de tijden doorstaan. Ze zijn gekend en beschreven sinds de Oudheid; Aristoteles interesseert zich voor hen en onder de honderdtal zeedieren die hij beschrijft, noemt hij ze “cnide”, wat betekent: die prikt, en hij preciseert daarbij dat ze zich in en op het water voortbewegen.

Als eerbetoon aan Aristoteles hebben de natuuronderzoekers van de 20e eeuw het fylum van de cnidariërs gecreëerd om er kwallen, koralen, zeeanemonen… in onder te brengen. Die allemaal prikken.

Vier eeuwen later observeert Plinius de Oudere de bewegingen van de kwallen, die hem doen denken aan de samentrekkingen en de verwijdingen van de ademhaling, en hij noemt ze Pulmo marina, “de zeelong.”

Die negatieve perceptie heeft de inschatting van de ecosysteemdiensten die deze dieren leveren in de weg gestaan, terwijl ze een centrale rol spelen in de mariene biodiversiteit door te verhinderen dat de biomassa wordt gemonopoliseerd door uiterst performante concurrenten. Ze nemen deel aan de biogeochemische en ecologische overdracht van voedingsstoffen (voornamelijk stikstof en koolstof) van de oppervlakkige oceaan naar het benthos van de diepe oceaan.

Wanneer het milieu achteruitgaat, maken sommige kwallen Cysten aan waarin de weefsels zich desorganiseren, en wanneer de omgevingsomstandigheden weer verbeteren, gaan de cysten open en vind je in het bestek van één dag die kwallen terug die hun cellen hebben geregenereerd en er zo in slagen over te gaan naar het kwalstadium, wat haar potentieel onsterfelijk maakt (enkel biologisch)

Kwallen gebruiken lichtsignalen, dat is belangrijk voor hun overleving. Die kunnen hen dienen om hun prooien te lokken, een roofdier af te schrikken, een partner een teken te geven of alarm te slaan. Maar de wetenschappers proberen nog altijd te begrijpen hoe de kwallen hun mysterieuze “lichten” gebruiken.

Alle artikelen